"Pedagogische adviezen voor speciale kinderen" gaat over speciale, bijzondere, maar complexe kinderen en jongeren, die hun opvoeders soms voor grote problemen kunnen stellen. Naast een beschrijving van hun gedragsproblemen geeft de auteur praktische suggesties voor de aanpak hiervan. De kern van die aanpak is gelegen in de bereidheid van de beroepsopvoeder om á¡chter het probleemgedrag te willen kijken en reeds bestaande positieve gedragingen uit te breiden.
Hierdoor past dit boek in de trend van de tegenwoordige hulpverlening om vooral oplossingsgericht en niet zozeer probleemgericht te handelen. Deze aanpak biedt meer openingen en perspectief in problematische opvoedingssituaties.
Door zijn eenduidige opbouw is het boek zowel een praktisch handboek als een naslagwerk. Van alle problemen worden steeds dezelfde vragen beantwoord. In de elf hoofdstukken van deel II staat steeds beschreven: hoe ziet het probleem eruit volgens het psychiatrische DSM-IV classificatiesysteem, wat zijn mogelijke oorzaken, wat zijn mogelijke behandelingsvormen, wat is de prognose, wat de concrete verschijningsvormen van het probleem in een klas of groep en wat zijn dan mogelijke handelingssuggesties.
In deze geheel herziene uitgave van het boek Pedagogische adviezen voor speciale kinderen is in vergelijking met de eerdere uitgave een aantal nieuwe onderwerpen opgenomen: hechtingsstoornissen, aandachtstekortstoornis zonder hyperactiviteit (ADD) en de meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis als subtype binnen het autistisch spectrum (McDD). Daarnaast is rond de andere problemen de informatie geactualiseerd. Zo is er meer aandacht voor de resultaten uit de hersenwetenschap en meer nadruk op behandelwijzen als cognitieve gedragstherapie, neurofeedback en mindfulness.
NBD|Biblion recensie van "Pedagogische adviezen voor speciale kinderen":
Een tweede, volledig herziene druk, geactualiseerd op een aantal punten en met nieuwe hoofdstukken en nieuwe aspecten en inzichten. Speciaal over hechtingsstoornissen, maar ook over een subgroep binnen PDD-NOS kinderen, de Multicomplex Developmental Disorder-kinderen (MCDD) en kinderen met aandachttekortstoornissen, de ADD-kinderen. Aangehouden is dezelfde indeling als in de vorige druk, maar in deel twee is nu een aantal theoretische verhandelingen toegevoegd over nieuwe behandelingswijzen; ook is een overzicht gegeven van een aantal gedragsproblemen met suggesties voor begeleiding. Het boek is ontstaan in de praktijk van het Speciaal Onderwijs. Je merkt het bij bestudering hoe goed de auteur de groeps- en individuele aanpak in het onderwijs aanvoelt en begrijpt. Dat blijkt al uit de structuur van dit boek: elf probleemgebieden uit deel twee worden voorafgegaan door concrete gedragingen van leerkrachten in hoofdstuk drie in deel een. De auteur begint met de theorie over het probleemgebied, vervolgens wordt de prognose gegeven in de voorgestelde behandelingen en daarna volgen de concrete problemen en de aanpak daarvan. Een standaardwerk voor leerkrachten in met name het Speciaal Onderwijs, maar ook geschikt voor ouders.
dinsdag 27 september 2011
Werkboek "Ik leer anders"...
De succesvolle methode "Ik leer anders" is nu ook verkrijgbaar als praktisch werkboek voor leerlingen van de basisschool met met Autisme, leerproblemen, dyslexie, AD(H)D.
Er zit meer in, dan er uit komt. Dit wordt vaak gezegd over leerlingen die onvoldoende presteren op school. Zij hebben een leerachterstand of een vorm van dyslexie. Als bijles niet of nauwelijks helpt, kan de leermethode Ik leer anders een oplossing bieden. Want een grote groep ondergewaardeerde leerlingen heeft juist een bijzondere gave: het zijn beelddenkers. Zij denken niet in woorden, maar in beelden. Daarom wordt het lesmateriaal in de klas niet begrepen en onthouden. Het werkboek Ik leer anders vertaalt de lesstof naar deze visuele manier van denken. Zo kunnen deze leerlingen direct voldoendes halen. Op www.ikleeranders.nl staat de test: Ben jij een beelddenker?
Direct resultaat
Het werkboek Ik leer anders wordt doorgewerkt door een leerling begeleid door een ouder, coach of leerkracht. De leerling kan direct vertellen of deze leermethode werkt. Een voorbeeld: tijdens het oefenen kunnen leerlingen met een taalprobleem, woorden foutloos spellen. Van voor naar achter, maar ook van achter naar voor. Simpelweg omdat ze het woord als woordbeeld hebben opgeslagen. Tafels worden direct onthouden na jarenlang tevergeefs oefenen. Leren klokkijken lukt binnen een paar uur. Hieronder staan verhalen uit de praktijk van ouders en kinderen. De teksten zijn ingekort. Complete teksten staan op www.ikleeranders.nl. Het werkboek is voorzien van vele voorbeelden en foto"s.
Inhoud werkboek
"Bij een spelling toets schrijft hij nu bijna alle woordjes goed i.p.v. van bijna alles fout".
"Eindelijk iemand die mij begrijpt wat ik zie en denk".
Werkboek "Ik leer anders":
Er zit meer in, dan er uit komt. Dit wordt vaak gezegd over leerlingen die onvoldoende presteren op school. Zij hebben een leerachterstand of een vorm van dyslexie. Als bijles niet of nauwelijks helpt, kan de leermethode Ik leer anders een oplossing bieden. Want een grote groep ondergewaardeerde leerlingen heeft juist een bijzondere gave: het zijn beelddenkers. Zij denken niet in woorden, maar in beelden. Daarom wordt het lesmateriaal in de klas niet begrepen en onthouden. Het werkboek Ik leer anders vertaalt de lesstof naar deze visuele manier van denken. Zo kunnen deze leerlingen direct voldoendes halen. Op www.ikleeranders.nl staat de test: Ben jij een beelddenker?
Direct resultaat
Het werkboek Ik leer anders wordt doorgewerkt door een leerling begeleid door een ouder, coach of leerkracht. De leerling kan direct vertellen of deze leermethode werkt. Een voorbeeld: tijdens het oefenen kunnen leerlingen met een taalprobleem, woorden foutloos spellen. Van voor naar achter, maar ook van achter naar voor. Simpelweg omdat ze het woord als woordbeeld hebben opgeslagen. Tafels worden direct onthouden na jarenlang tevergeefs oefenen. Leren klokkijken lukt binnen een paar uur. Hieronder staan verhalen uit de praktijk van ouders en kinderen. De teksten zijn ingekort. Complete teksten staan op www.ikleeranders.nl. Het werkboek is voorzien van vele voorbeelden en foto"s.
Inhoud werkboek
- Theorie: een andere manier van denken en leren.
- Test en karaktervergelijking: herkennen visuele leerlingen.
- Informatie op juiste manier ordenen, opslaan en onthouden.
- Taal: het alfabet, woordbeelden opslaan, woordpakketten groep 3 t/m 8
- Lezen: lege woorden visueel opslaan, leesletters oefenen, lezen met de leespijl.
- Cijfers: cijferveld, tafels en het automatiseren van sommen.
- Klokkijken: analoog.
"Eindelijk iemand die mij begrijpt wat ik zie en denk".
Werkboek "Ik leer anders":
Labels:
Beelddenken,
Hulpmiddelen,
Methodieken,
School en studie
Beelddenken en autisme
Uit ervaring weten we inmiddels dat er onder autisten en AD(H)D'ers erg veel zgn. beelddenkers zijn te vinden.
Beelddenkers denken in beelden en gebeurtenissen en niet in woorden en begrippen. Beelddenken is visueel, intuïtief en ruimtelijk denken, zonder woorden. Beelddenkers zijn creatieve denkers die door hun ruimtelijke waarnemingsvermogen en hun visuele voorstellingsvermogen goed zijn in het verwerken van simultane informatie ( gelijktijdig aangeboden). Daarbij letten ze vooral op overeenkomsten, waardoor ze vaak met verrassende oplossingen voor problemen komen.
Omdat beelddenkers in beelden denken en niet in taal, hebben ze moeite met de “vertaling” naar de juiste woorden. Vaak hoor je ze dan ook praten in termen als: dinges, danges, eh eh, je weet wel!
In hun hoofd zien ze het beeld, het plaatje, maar het bijpassende woord kunnen ze zo snel niet vinden. Ditzelfde zou kunnen gelden voor getallen. Een beelddenker ziet bij het woord stoel de stoel in gedachten voor zich. Of de stoel nu achterstevoren of op zijn kop staat: het blijft een stoel. Als ze de letters en hun klanken gaan leren, geeft dit problemen. Immers: een b is andersom opeens een d, en op zijn kop zelfs een p, maar voor een beelddenker blijft het een b.
Beelddenkers zijn snel afgeleid, want net als ze ergens mee bezig zijn, zien ze al weer iets nieuws om te doen. Dat laatste is wel eens lastig voor ouders. De opdracht; “doe je jas uit, ruim je tas op en kom naar de keuken om wat te drinken”, is onmogelijk voor een beelddenker. Terwijl hij naar de opdracht luistert, ziet hij het beeld van de jas aan de kapstok, de tas in de kast en het glas drinken in de keuken voor zich. Op het moment dat hij zijn jas uittrekt, denkt hij alles al gedaan te hebben en gaat rustig met zijn lego spelen. De andere opdrachten lijken vergeten. De ouders van beelddenkertjes zijn wel eens radeloos. “Waarom luister je nou nooit!” is een veel gehoorde wanhoopskreet. Maar het is geen onwil, maar onmacht! Een simpele oplossing is om de opdrachten mondeling te laten herhalen. Het uitspreken van wat je moet doen helpt een beelddenker om beter te onthouden.
Ook op school kenmerkt de beelddenker zich door deze “afwezige” gedrag. Leerkrachten zeggen vaak: “Is dit kind nu dom of neemt hij mij in de maling”. Alle mensen worden als beelddenker geboren. Immers, een baby kent nog geen woorden. Tot 4 jaar zijn alle kinderen min of meer beelddenkers. Ze denken voor het grootste deel in beelden en gebeurtenissen. Langzaam ontwikkelt het taaldenken zich en wordt het beelddenken procentsgewijs wat kleiner. Na het tiende jaar stopt dit proces. Er zijn mensen die dan een voorkeur blijven houden voor het beelddenken: de beelddenkers! Tot het tiende levensjaar dus, kunnen er nog veranderingen optreden, kan men sturen en begeleiden. Hoe eerder beelddenken (h)erkend wordt, hoe beter het kind begrepen wordt… thuis en op school.
Beelddenken is een gave. Geen defect.
Beelddenken is een aanleg, een talent. Geen handicap.
Beelddenkers zijn mensen die bij het oplossen van problemen gebruik maken van taal-vrij, visueel-ruimtelijk denken.
Elk denken heeft als doel het verwerken van informatie. Deze informatie komt binnen via de zintuigen. Via welk zintuigsysteem de informatie aangevoerd wordt is medebepalend voor het verloop van het denken.
Zo wordt bij het horen een volgorde aangereikt: het ene geluid volgt op het andere. De ene klank na de andere komt binnen en deze ordening zorgt ervoor dat we er wat mee Kunnen. Zo niet, dan spreken we van lawaai.
Bij het zien is het weer anders. We zien alles tegelijkertijd. Geen ordening. De informatie wordt zonder meer aangeboden. We moeten zelf gaan filteren om te bepalen wat we gebruiken. Oren dwingen je tot scherp letten op verschillen in klank en nuance; de informatie wordt na elkaar en op volgorde gegeven. Ogen dwingen ons naar overeenkomsten te zoeken; de informatie wordt in een keer, tegelijkertijd aangeboden.
Uit onderzoek blijkt dat beelddenkers “kijkers” zijn. Ze geven er de voorkeur aan, informatie in een keer op te nemen, te verwerken en op te slaan in het beeldgeheugen, waar al de kennis globaal en schematisch gecodeerd is. Er is sprake van een ander geheugen. Aandacht en concentratie zijn anders gericht.
Boeken over Beelddenken:
Tips voor ouders bij het omgaan met een kind dat in beelden denkt:
Beelddenkers denken in beelden en gebeurtenissen en niet in woorden en begrippen. Beelddenken is visueel, intuïtief en ruimtelijk denken, zonder woorden. Beelddenkers zijn creatieve denkers die door hun ruimtelijke waarnemingsvermogen en hun visuele voorstellingsvermogen goed zijn in het verwerken van simultane informatie ( gelijktijdig aangeboden). Daarbij letten ze vooral op overeenkomsten, waardoor ze vaak met verrassende oplossingen voor problemen komen.
Omdat beelddenkers in beelden denken en niet in taal, hebben ze moeite met de “vertaling” naar de juiste woorden. Vaak hoor je ze dan ook praten in termen als: dinges, danges, eh eh, je weet wel!
In hun hoofd zien ze het beeld, het plaatje, maar het bijpassende woord kunnen ze zo snel niet vinden. Ditzelfde zou kunnen gelden voor getallen. Een beelddenker ziet bij het woord stoel de stoel in gedachten voor zich. Of de stoel nu achterstevoren of op zijn kop staat: het blijft een stoel. Als ze de letters en hun klanken gaan leren, geeft dit problemen. Immers: een b is andersom opeens een d, en op zijn kop zelfs een p, maar voor een beelddenker blijft het een b.
Beelddenkers zijn snel afgeleid, want net als ze ergens mee bezig zijn, zien ze al weer iets nieuws om te doen. Dat laatste is wel eens lastig voor ouders. De opdracht; “doe je jas uit, ruim je tas op en kom naar de keuken om wat te drinken”, is onmogelijk voor een beelddenker. Terwijl hij naar de opdracht luistert, ziet hij het beeld van de jas aan de kapstok, de tas in de kast en het glas drinken in de keuken voor zich. Op het moment dat hij zijn jas uittrekt, denkt hij alles al gedaan te hebben en gaat rustig met zijn lego spelen. De andere opdrachten lijken vergeten. De ouders van beelddenkertjes zijn wel eens radeloos. “Waarom luister je nou nooit!” is een veel gehoorde wanhoopskreet. Maar het is geen onwil, maar onmacht! Een simpele oplossing is om de opdrachten mondeling te laten herhalen. Het uitspreken van wat je moet doen helpt een beelddenker om beter te onthouden.
Ook op school kenmerkt de beelddenker zich door deze “afwezige” gedrag. Leerkrachten zeggen vaak: “Is dit kind nu dom of neemt hij mij in de maling”. Alle mensen worden als beelddenker geboren. Immers, een baby kent nog geen woorden. Tot 4 jaar zijn alle kinderen min of meer beelddenkers. Ze denken voor het grootste deel in beelden en gebeurtenissen. Langzaam ontwikkelt het taaldenken zich en wordt het beelddenken procentsgewijs wat kleiner. Na het tiende jaar stopt dit proces. Er zijn mensen die dan een voorkeur blijven houden voor het beelddenken: de beelddenkers! Tot het tiende levensjaar dus, kunnen er nog veranderingen optreden, kan men sturen en begeleiden. Hoe eerder beelddenken (h)erkend wordt, hoe beter het kind begrepen wordt… thuis en op school.
Beelddenken is een gave. Geen defect.
Beelddenken is een aanleg, een talent. Geen handicap.
Beelddenkers zijn mensen die bij het oplossen van problemen gebruik maken van taal-vrij, visueel-ruimtelijk denken.
Elk denken heeft als doel het verwerken van informatie. Deze informatie komt binnen via de zintuigen. Via welk zintuigsysteem de informatie aangevoerd wordt is medebepalend voor het verloop van het denken.
Zo wordt bij het horen een volgorde aangereikt: het ene geluid volgt op het andere. De ene klank na de andere komt binnen en deze ordening zorgt ervoor dat we er wat mee Kunnen. Zo niet, dan spreken we van lawaai.
Bij het zien is het weer anders. We zien alles tegelijkertijd. Geen ordening. De informatie wordt zonder meer aangeboden. We moeten zelf gaan filteren om te bepalen wat we gebruiken. Oren dwingen je tot scherp letten op verschillen in klank en nuance; de informatie wordt na elkaar en op volgorde gegeven. Ogen dwingen ons naar overeenkomsten te zoeken; de informatie wordt in een keer, tegelijkertijd aangeboden.
Uit onderzoek blijkt dat beelddenkers “kijkers” zijn. Ze geven er de voorkeur aan, informatie in een keer op te nemen, te verwerken en op te slaan in het beeldgeheugen, waar al de kennis globaal en schematisch gecodeerd is. Er is sprake van een ander geheugen. Aandacht en concentratie zijn anders gericht.
Boeken over Beelddenken:
Tips voor ouders bij het omgaan met een kind dat in beelden denkt:
- Vertel korte verhalen, anders dwalen de gedachten van je kind af.
- Opdrachten moeten kort, duidelijk, overzichtelijk en uitvoerbaar zijn.
- Je kind verbruikt veel energie, omdat de wereld anders is dan de hunne. Houd je kind gerust een keer een dagje thuis.
- Houd je kind bij zijn werk, vraag wat het moet doen. Dit is belangrijk, omdat zijn gedachten snel afgedwaald zijn.
- Laat je kind vrij om zijn eigen te maken, maar begeleid hem er wel in door kaders te geven en te blijven herhalen.
- Complimentjes geven helpt alleen als het echt gemeend is, zonder te overdrijven.
- Heb er vertrouwen in dat je kind doet wat je vraagt. Heb geduld, de opdracht moet hij eerst even verwerken tot het tot uitvoer komt.
- Je kind zal alles tot in de details willen weten. Geef hem ook die duidelijke uitleg, want goede redenen helpen hem op weg.
- Heb geduld in het omgaan met je kind.
- Je kind zal graag de wereld zo aanpassen dat het bij hem past, het moet gaan zoals hij dat wilt. Stop hem niet meteen, maar geef wel duidelijk je grenzen aan.
- Zit niet te dicht op de huid van je kind. Zijn verzet zal dan heftiger en dwangmatiger zijn.
- Maak duidelijke afspraken. Liefdevolle en duidelijke begeleiding waarin een consequente lijn gevolgd wordt geven je kind veiligheid en rust.
- Doe een beroep op zijn intelligentie en probleemoplossend vermogen. Hierdoor help je hem vooruit te komen.
maandag 26 september 2011
Picto's en Pictogenda
Pictogrammen maken het leven voor kinderen met autisme overzichtelijk. Van te voren is duidelijk wat er komen gaat en wordt visueel d.m.v. een pictogram.
Er zijn verschillende manieren om met pictogrammen (picto's) te werken. Zo kun je een pictogrammenbord maken. B.v. met alle dagen van de week of maar met één dag er op, of zelfs dagdélen. Het ligt er maar net aan wat de behoefte is van het kind. Heeft het kind genoeg aan een plaatje voor het aankleden? Of is er behoefte aan om iedere stap in de vorm van een pictogram te visualiseren?
Wanneer uw kind (nog) niet kan lezen of schrijven is het verstandig om daar rekening mee te houden bij de indeling van het bord.
Een kind dat niet kan lezen of schrijven vindt het namelijk vaak ook niet vanzelfsprekend dat de goede volgorde van links naar rechts verloopt...
Een ander middel is de Pictogenda.
Pictogenda is een verzamelnaam voor een serie praktische alledaagse hulpmiddelen waarbij gebruik gemaakt wordt van (sticker)pictogrammen. Bedoeld voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven.
Pictogenda is een systeem voor mensen die moeite hebben met lezen, schrijven, tijdsbeleving enz. De tekst is vervangen door pictogrammen: de zondag is bijvoorbeeld een zonnetje,december een kerstboom en de tijden zijn vervangen door lege klokken waarop je zelf de wijzers kunt tekenen. Achterin de agenda zijn bovendien meer dan 240 stickerpictogrammen opgenomen die je zelf in je agenda kunt plakken. De pictogrammen zijn ingedeeld in 12 verschillende categorieen, zoals school, sporten en vrijetijdsbesteding. Ieder jaar komen er nieuwe pictogrammen bij.
Er zijn verschillende Pictogenda-producten te verkrijgen, zoals de agenda zelf, de Pictogenda Printer, de Pictogenda Kalender, het Pictogenda Verhuisboek en het Pictogenda Vakantieboek.
Voor wie is de Pictogenda?
De Pictogenda is geschikt voor iedereen die zich moeilijk verstaanbaar kan maken, moeite heeft met lezen en schrijven en/of gebeurtenissen in de tijd te overzien. De Pictogenda wordt dan ook al jaren met veel succes gebruikt door Mensen met een stoornis in het autistische spectrum; Mensen met een verstandelijke handicap of beperking: Mensen met spraak- en taalproblemen; Doven en slechthorenden; Kinderen in het speciaal onderwijs.
Pictogenda producten:
Er zijn verschillende manieren om met pictogrammen (picto's) te werken. Zo kun je een pictogrammenbord maken. B.v. met alle dagen van de week of maar met één dag er op, of zelfs dagdélen. Het ligt er maar net aan wat de behoefte is van het kind. Heeft het kind genoeg aan een plaatje voor het aankleden? Of is er behoefte aan om iedere stap in de vorm van een pictogram te visualiseren?
Wanneer uw kind (nog) niet kan lezen of schrijven is het verstandig om daar rekening mee te houden bij de indeling van het bord.
Een kind dat niet kan lezen of schrijven vindt het namelijk vaak ook niet vanzelfsprekend dat de goede volgorde van links naar rechts verloopt...
Een ander middel is de Pictogenda.
Pictogenda is een verzamelnaam voor een serie praktische alledaagse hulpmiddelen waarbij gebruik gemaakt wordt van (sticker)pictogrammen. Bedoeld voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven.
Pictogenda is een systeem voor mensen die moeite hebben met lezen, schrijven, tijdsbeleving enz. De tekst is vervangen door pictogrammen: de zondag is bijvoorbeeld een zonnetje,december een kerstboom en de tijden zijn vervangen door lege klokken waarop je zelf de wijzers kunt tekenen. Achterin de agenda zijn bovendien meer dan 240 stickerpictogrammen opgenomen die je zelf in je agenda kunt plakken. De pictogrammen zijn ingedeeld in 12 verschillende categorieen, zoals school, sporten en vrijetijdsbesteding. Ieder jaar komen er nieuwe pictogrammen bij.
Er zijn verschillende Pictogenda-producten te verkrijgen, zoals de agenda zelf, de Pictogenda Printer, de Pictogenda Kalender, het Pictogenda Verhuisboek en het Pictogenda Vakantieboek.
Voor wie is de Pictogenda?
De Pictogenda is geschikt voor iedereen die zich moeilijk verstaanbaar kan maken, moeite heeft met lezen en schrijven en/of gebeurtenissen in de tijd te overzien. De Pictogenda wordt dan ook al jaren met veel succes gebruikt door Mensen met een stoornis in het autistische spectrum; Mensen met een verstandelijke handicap of beperking: Mensen met spraak- en taalproblemen; Doven en slechthorenden; Kinderen in het speciaal onderwijs.
Pictogenda producten:
zondag 25 september 2011
Mindfulness bij volwassenen met autisme
Een praktische wegwijzer voor hulpverleners en mensen met ASS
Ondanks de toegenomen kennis over autisme bij volwassenen, is er helaas nog weinig bekend over passende begeleiding/therapie. Mindfulness is een nieuwe therapie vorm die mensen met autisme kan helpen om minder te piekeren, gedachten los te laten en meer contact te krijgen met hun lichaam. Mindfulness is een van de eerste therapievormen voor volwassenen met autisme die in wetenschappelijk onderzoek als effectief naar voren zijn gekomen.
De bijbehorende website is bedoeld als ondersteuning bij het boek ‘Mindfulness bij volwassenen met autisme’, geschreven door Annelies Spek en met tekeningen van René Hazebroek.
Op de website vindt u de audiofragmenten die u nodig hebt om te oefenen met mindfulness. In het boek staat beschreven wanneer u met welke fragmenten kunt gaan oefenen. Ook staan er op deze website enkele artikelen over mindfulness bij volwassenen met autisme en kunt u lezen waar mindfulness trainingen, zowel voor mensen met autisme als voor hulpverleners te volgen zijn.
http://www.mindfulnessbijautisme.nl/
Ondanks de toegenomen kennis over autisme bij volwassenen, is er helaas nog weinig bekend over passende begeleiding/therapie. Mindfulness is een nieuwe therapie vorm die mensen met autisme kan helpen om minder te piekeren, gedachten los te laten en meer contact te krijgen met hun lichaam. Mindfulness is een van de eerste therapievormen voor volwassenen met autisme die in wetenschappelijk onderzoek als effectief naar voren zijn gekomen.
De bijbehorende website is bedoeld als ondersteuning bij het boek ‘Mindfulness bij volwassenen met autisme’, geschreven door Annelies Spek en met tekeningen van René Hazebroek.
Op de website vindt u de audiofragmenten die u nodig hebt om te oefenen met mindfulness. In het boek staat beschreven wanneer u met welke fragmenten kunt gaan oefenen. Ook staan er op deze website enkele artikelen over mindfulness bij volwassenen met autisme en kunt u lezen waar mindfulness trainingen, zowel voor mensen met autisme als voor hulpverleners te volgen zijn.
http://www.mindfulnessbijautisme.nl/
Rouwverwerking bij kinderen met Autisme
Inleiding
Het doel van dit artikel is om praktische adviezen te geven voor de begeleiding van kinderen met een autisme spectrum stoornis (ASS) die met een overlijden te maken krijgen. Als we naar de basisschool leeftijd kijken, blijkt dat ongeveer eenderde van alle kinderen met een overlijden van iemand uit de nabije omgeving geconfronteerd wordt. Op de middelbare school heeft ruim de helft van de kinderen van dichtbij meegemaakt dat iemand is overleden. Daarom is het van belang dat de school en de omgeving van het kind weet hoe kinderen hierin begeleid kunnen worden. Omdat leerlingen met een autisme spectrum stoornis sowieso een andere aanpak en begeleiding nodig hebben, zullen deze leerlingen ook een andere begeleiding in rouwverwerking vragen. In dit artikel doen we daarom hiervoor een aantal praktische handreikingen.
De ontwikkelingsfasen
De ontwikkeling van kinderen maakt dat informatie en emoties op verschillende leeftijden verschillend wordt begrepen, verwerkt en geuit. Doodgaan betekent voor een leerling van 4 jaar heel wat anders dan voor een leerling van 18 jaar. Zo zal de mate van gehechtheid, het concept van ‘doodgaan’, het beleven van angsten, het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van een overlijden, het omgaan met gevoelens en het afstemmen van het gedrag op de situatie in de leeftijd tussen de 0 en 20 jaar sterk verschillen.
Leerlingen met een autisme spectrum stoornis hebben vaak een emotionele ontwikkelingsachterstand en een andere informatieverwerking. Dat betekent dat een bericht van overlijden hen soms niks lijkt te doen, omdat ze het zo zakelijk lijken te bespreken of omdat ze zulke concrete vragen stellen, zoals "Waarom heeft Opa z'n goede pak aan, als hij toch wordt verbrand?". Het vraagt van de begeleiders dat ze niet naar de kalenderleeftijd van de leerling kijken en daar hun verwachtingen en reactie op af stemmen. Het vraagt van begeleiders dat ze uitgaan van de mentale leeftijd van de leerling en daar hun verwachtingen en gedrag op afstemmen.
Belangrijke tip:
Ga uit van de mentale leeftijd van de leerling en stem daar je verwachtingen en gedrag op af.
In het kort volgen hier de belangrijkste kenmerken van de verschillende ontwikkelingsfasen.
De babyfase, 0 tot 3 jaar
Baby's hebben nog geen besef van de dood. Wel zijn ze stressgevoelig en kunnen ze de afwezigheid van (één van) de ouders opmerken. In deze fase is het van groot belang dat er een veilige hechting ontstaat. De fysieke afwezigheid van de ouders, stress bij de ouders en/of verminderde aandacht van de ouders (en meerdere/andere verzorgers) kunnen een ongunstige invloed hebben op de baby.
Bij baby's is het nog niet vastgesteld of ze ASS hebben. Bij baby's bij wie dat later wordt gediagnosticeerd, komt de hechting vaak minder tot stand. Toch hebben zij niet minder last van een overlijden, omdat zij de stress van een ouder heel goed waarnemen.
Een ander kenmerk van de babyfase is dat de baby meestal via de ouders de wereld leert begrijpen. Ouders geven de wereld betekenis onder andere door objecten of dingen uit de omgeving te benoemen en door te laten merken of het veilig is, bijvoorbeeld "Kijk, dat is een lief hondje!". Kinderen met ASS zijn minder geneigd om naar de ouders te kijken als ze hier mee bezig zijn, zoals minder (oog)contact, minder aanwijsgedrag. Daardoor moeten ze veel zelf gaan ontdekken. Dit kost meer tijd en kan veel stress geven. Daarom is het voor de begeleiding van baby's van belang dat er zoveel mogelijk rust, geruststelling en regelmaat geboden wordt en niet teveel wisselingen van verzorgers.
De kleuterfase, 3 tot 6 jaar
Kinderen op deze leeftijd weten dat er verschil is tussen dood en levend. Ze spelen het in hun spel:
"Toen was ik de ridder en ik maakte je dood met mijn zwaard!". Het andere kind gaat stil op de grond liggen met zijn ogen dicht. Dat is het beeld van de peuters en de kleuters: doodgaan, dat is een soort slapen. En als je weer verder wilt spelen, sta je gewoon weer op of de prins kust je weer levend. Er is nog geen besef van een definitief afscheid. Daarom zal een kind in deze fase nog heel vaak kunnen vragen naar de overledene. Dat is voor de omgeving soms pijnlijk, maar op die manier zal het kind langzamerhand beseffen dat de overledene niet terugkomt.
Kinderen in deze leeftijd stellen ook vaak concrete en praktische vragen "Waarom moet Oma alleen in de kist?" of "Wat doen we met Opa's mobieltje?". Periodes van intense rouw worden soms afgewisseld met spel, waarbinnen ze niet met rouw bezig zijn.
Ook op deze leeftijd hebben kinderen met ASS vaak nog geen diagnose. Maar bij kinderen die ASS hebben, valt vaak op dat volwassenen het moeilijk vinden om de emoties van deze kinderen te plaatsen, omdat het er niet altijd uitziet als verdriet. Voor de begeleiding is het van belang dat er met geduld en aandacht antwoord gegeven wordt op de (soms onverwachte) vragen. Het is vanzelfsprekend dat we de kinderen vooral serieus nemen, al lijken de gestelde vragen soms erg technisch. “Hoeveel aarde gaat er op de kist van Papa?”
Zeg zo nodig dat jij het ook niet weet, want ook dat helpt het kind verder. Veel kinderen met een oudere kalenderleeftijd, hebben mentaal de leeftijd van peuters en kleuters als het gaat om rouwbeleving.
Basisschoolleeftijd van 6 tot 9 jaar
Kinderen in deze leeftijd weten dat doodgaan definitief is. Je kunt niet meer levend worden. Als de cavia doodgaat is het voor altijd. Ze willen hem dan graag begraven, omdat ze begraven als ritueel kennen. Kinderen in deze leeftijd kunnen nieuwsgierig, maar ook bang gaan worden voor hun gedachtes over wat er gebeurt bij doodgaan. “Wordt de cavia een skelet? Eten de wormen hem op? Mogen we dan over een poosje gaan kijken?”
Belangrijke tip:
Neem alle vragen serieus en geef geduldig en met aandacht antwoord op vragen.
De meeste kinderen in deze leeftijd beseffen nog niet dat ze zelf ook dood zullen gaan. Veel kinderen geloven nog dat het voor hen niet geldt. Als ze met een overlijden te maken hebben, is hun verdriet vaak groot, vanwege het besef van onomkeerbaarheid. Het uiten van verdriet kan voor sommigen heel lastig zijn. Soms wordt het kind vooral boos of druk of opstandig.
Het is ook de periode van het magisch denken. “Als ik niet op de lijntjes loop, zal er niets ergs gebeuren.” Kinderen kunnen bang worden van hun eigen, soms onbewuste, gedachten. Kinderen in deze leeftijd begrijpen steeds meer, maar moeten niet overschat worden. Vooral de soms abstracte begrippen die gebruikt worden, moeten vaak nog wel uitgelegd worden. Omdat ze steeds meer begrijpen, kunnen kinderen vooral redenerend over een overlijden praten, terwijl de emotionele verwerking pas later komt. Van volwassenen vraagt dit vooral geduld.
Kinderen van de bovenbouw, 9 tot 12 jaar
Het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van de dood is nu aanwezig. Kinderen worden nog meer nieuwsgierig, maar tegelijkertijd soms ook bang voor de dood. “Hoe zal oom Hans eruit zien nu hij opgebaard ligt? Ik wil de as van Oma niet aanraken, wie weet heb ik haar teen te pakken”. Kinderen worden in deze periode steeds zelfstandiger en zo zullen ze ook met rouw om willen gaan. Het uiten van gevoelens kan lastig zijn, vooral als kinderen het gevoel hebben hier ‘volwassen’ mee om te moeten gaan. Juist door het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van de dood, zal het verdriet zeer groot zijn en vraagt dat
van de omgeving van deze kinderen vooral begeleid worden in het omgaan met verdriet.
Veel kinderen met ASS kunnen op deze leeftijd nog niet bij zichzelf herkennen of ze verdriet voelen en hoe ze dit ‘horen’ te uiten.
Vanaf 12 jaar
Kinderen in deze leeftijd worden jongeren die abstract kunnen denken. Ze hebben zich ondertussen zodanig ontwikkeld dat ze weten dat ieder leven eindigt met de dood. Ze gaan bezig met zingeving, de betekenis van het leven en bestaansrecht. Net als voor volwassenen, zal ieder overlijden van iemand uit de naaste omgeving een schok zijn. Omdat ze in deze leeftijd last kunnen hebben van een imaginair publiek, zie je vaak uitgestelde rouw.
Gevoel en verstand kunnen nog ver uiteenlopen op deze leeftijd.
Samenvatting van de belangrijke tips:
Afsluitende tip:
Praat ook eens over rouw als er geen actuele aanleiding is
Het doel van dit artikel is om praktische adviezen te geven voor de begeleiding van kinderen met een autisme spectrum stoornis (ASS) die met een overlijden te maken krijgen. Als we naar de basisschool leeftijd kijken, blijkt dat ongeveer eenderde van alle kinderen met een overlijden van iemand uit de nabije omgeving geconfronteerd wordt. Op de middelbare school heeft ruim de helft van de kinderen van dichtbij meegemaakt dat iemand is overleden. Daarom is het van belang dat de school en de omgeving van het kind weet hoe kinderen hierin begeleid kunnen worden. Omdat leerlingen met een autisme spectrum stoornis sowieso een andere aanpak en begeleiding nodig hebben, zullen deze leerlingen ook een andere begeleiding in rouwverwerking vragen. In dit artikel doen we daarom hiervoor een aantal praktische handreikingen.
De ontwikkelingsfasen
De ontwikkeling van kinderen maakt dat informatie en emoties op verschillende leeftijden verschillend wordt begrepen, verwerkt en geuit. Doodgaan betekent voor een leerling van 4 jaar heel wat anders dan voor een leerling van 18 jaar. Zo zal de mate van gehechtheid, het concept van ‘doodgaan’, het beleven van angsten, het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van een overlijden, het omgaan met gevoelens en het afstemmen van het gedrag op de situatie in de leeftijd tussen de 0 en 20 jaar sterk verschillen.
Leerlingen met een autisme spectrum stoornis hebben vaak een emotionele ontwikkelingsachterstand en een andere informatieverwerking. Dat betekent dat een bericht van overlijden hen soms niks lijkt te doen, omdat ze het zo zakelijk lijken te bespreken of omdat ze zulke concrete vragen stellen, zoals "Waarom heeft Opa z'n goede pak aan, als hij toch wordt verbrand?". Het vraagt van de begeleiders dat ze niet naar de kalenderleeftijd van de leerling kijken en daar hun verwachtingen en reactie op af stemmen. Het vraagt van begeleiders dat ze uitgaan van de mentale leeftijd van de leerling en daar hun verwachtingen en gedrag op afstemmen.
Belangrijke tip:
Ga uit van de mentale leeftijd van de leerling en stem daar je verwachtingen en gedrag op af.
In het kort volgen hier de belangrijkste kenmerken van de verschillende ontwikkelingsfasen.
De babyfase, 0 tot 3 jaar
Baby's hebben nog geen besef van de dood. Wel zijn ze stressgevoelig en kunnen ze de afwezigheid van (één van) de ouders opmerken. In deze fase is het van groot belang dat er een veilige hechting ontstaat. De fysieke afwezigheid van de ouders, stress bij de ouders en/of verminderde aandacht van de ouders (en meerdere/andere verzorgers) kunnen een ongunstige invloed hebben op de baby.
Bij baby's is het nog niet vastgesteld of ze ASS hebben. Bij baby's bij wie dat later wordt gediagnosticeerd, komt de hechting vaak minder tot stand. Toch hebben zij niet minder last van een overlijden, omdat zij de stress van een ouder heel goed waarnemen.
Een ander kenmerk van de babyfase is dat de baby meestal via de ouders de wereld leert begrijpen. Ouders geven de wereld betekenis onder andere door objecten of dingen uit de omgeving te benoemen en door te laten merken of het veilig is, bijvoorbeeld "Kijk, dat is een lief hondje!". Kinderen met ASS zijn minder geneigd om naar de ouders te kijken als ze hier mee bezig zijn, zoals minder (oog)contact, minder aanwijsgedrag. Daardoor moeten ze veel zelf gaan ontdekken. Dit kost meer tijd en kan veel stress geven. Daarom is het voor de begeleiding van baby's van belang dat er zoveel mogelijk rust, geruststelling en regelmaat geboden wordt en niet teveel wisselingen van verzorgers.
De kleuterfase, 3 tot 6 jaar
Kinderen op deze leeftijd weten dat er verschil is tussen dood en levend. Ze spelen het in hun spel:
"Toen was ik de ridder en ik maakte je dood met mijn zwaard!". Het andere kind gaat stil op de grond liggen met zijn ogen dicht. Dat is het beeld van de peuters en de kleuters: doodgaan, dat is een soort slapen. En als je weer verder wilt spelen, sta je gewoon weer op of de prins kust je weer levend. Er is nog geen besef van een definitief afscheid. Daarom zal een kind in deze fase nog heel vaak kunnen vragen naar de overledene. Dat is voor de omgeving soms pijnlijk, maar op die manier zal het kind langzamerhand beseffen dat de overledene niet terugkomt.
Kinderen in deze leeftijd stellen ook vaak concrete en praktische vragen "Waarom moet Oma alleen in de kist?" of "Wat doen we met Opa's mobieltje?". Periodes van intense rouw worden soms afgewisseld met spel, waarbinnen ze niet met rouw bezig zijn.
Ook op deze leeftijd hebben kinderen met ASS vaak nog geen diagnose. Maar bij kinderen die ASS hebben, valt vaak op dat volwassenen het moeilijk vinden om de emoties van deze kinderen te plaatsen, omdat het er niet altijd uitziet als verdriet. Voor de begeleiding is het van belang dat er met geduld en aandacht antwoord gegeven wordt op de (soms onverwachte) vragen. Het is vanzelfsprekend dat we de kinderen vooral serieus nemen, al lijken de gestelde vragen soms erg technisch. “Hoeveel aarde gaat er op de kist van Papa?”
Zeg zo nodig dat jij het ook niet weet, want ook dat helpt het kind verder. Veel kinderen met een oudere kalenderleeftijd, hebben mentaal de leeftijd van peuters en kleuters als het gaat om rouwbeleving.
Basisschoolleeftijd van 6 tot 9 jaar
Kinderen in deze leeftijd weten dat doodgaan definitief is. Je kunt niet meer levend worden. Als de cavia doodgaat is het voor altijd. Ze willen hem dan graag begraven, omdat ze begraven als ritueel kennen. Kinderen in deze leeftijd kunnen nieuwsgierig, maar ook bang gaan worden voor hun gedachtes over wat er gebeurt bij doodgaan. “Wordt de cavia een skelet? Eten de wormen hem op? Mogen we dan over een poosje gaan kijken?”
Belangrijke tip:
Neem alle vragen serieus en geef geduldig en met aandacht antwoord op vragen.
De meeste kinderen in deze leeftijd beseffen nog niet dat ze zelf ook dood zullen gaan. Veel kinderen geloven nog dat het voor hen niet geldt. Als ze met een overlijden te maken hebben, is hun verdriet vaak groot, vanwege het besef van onomkeerbaarheid. Het uiten van verdriet kan voor sommigen heel lastig zijn. Soms wordt het kind vooral boos of druk of opstandig.
Het is ook de periode van het magisch denken. “Als ik niet op de lijntjes loop, zal er niets ergs gebeuren.” Kinderen kunnen bang worden van hun eigen, soms onbewuste, gedachten. Kinderen in deze leeftijd begrijpen steeds meer, maar moeten niet overschat worden. Vooral de soms abstracte begrippen die gebruikt worden, moeten vaak nog wel uitgelegd worden. Omdat ze steeds meer begrijpen, kunnen kinderen vooral redenerend over een overlijden praten, terwijl de emotionele verwerking pas later komt. Van volwassenen vraagt dit vooral geduld.
Kinderen van de bovenbouw, 9 tot 12 jaar
Het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van de dood is nu aanwezig. Kinderen worden nog meer nieuwsgierig, maar tegelijkertijd soms ook bang voor de dood. “Hoe zal oom Hans eruit zien nu hij opgebaard ligt? Ik wil de as van Oma niet aanraken, wie weet heb ik haar teen te pakken”. Kinderen worden in deze periode steeds zelfstandiger en zo zullen ze ook met rouw om willen gaan. Het uiten van gevoelens kan lastig zijn, vooral als kinderen het gevoel hebben hier ‘volwassen’ mee om te moeten gaan. Juist door het besef van het onvermijdelijke en onomkeerbare van de dood, zal het verdriet zeer groot zijn en vraagt dat
van de omgeving van deze kinderen vooral begeleid worden in het omgaan met verdriet.
Veel kinderen met ASS kunnen op deze leeftijd nog niet bij zichzelf herkennen of ze verdriet voelen en hoe ze dit ‘horen’ te uiten.
Vanaf 12 jaar
Kinderen in deze leeftijd worden jongeren die abstract kunnen denken. Ze hebben zich ondertussen zodanig ontwikkeld dat ze weten dat ieder leven eindigt met de dood. Ze gaan bezig met zingeving, de betekenis van het leven en bestaansrecht. Net als voor volwassenen, zal ieder overlijden van iemand uit de naaste omgeving een schok zijn. Omdat ze in deze leeftijd last kunnen hebben van een imaginair publiek, zie je vaak uitgestelde rouw.
Gevoel en verstand kunnen nog ver uiteenlopen op deze leeftijd.
Algemene handreikingen:
Voor kinderen met ASS geldt dat de informatie ook in boeken duidelijk moet zijn zonder teveel metaforen of vergelijkingen. Kinderen met goede intellectuele vermogens kunnen de dood het hoofd bieden door het intellectueel een plaats te geven. Het verschil tussen intellectuele en emotionele verwerking kan daardoor groter worden. De emotie blijft achter en heeft meer tijd nodig.
Volwassenen verwachten dat een kind weet hoe het zich in deze omstandigheden moet gedragen. Het is pijnlijk dat een kind niet bezig is met het verdriet, maar met hoe het zich moet gedragen. “Moet ik nu ook gaan huilen?” Kinderen zijn het meest gebaat bij iemand die hun begrijpt en uitleg geeft dat verdriet niet iets is dat je als een toneelstukje moet laten zien maar moet voelen. Wanneer je het niet voelt hoef je ook niet te huilen en dat moeten anderen respecteren.
Voor kinderen met ASS geldt dat de informatie ook in boeken duidelijk moet zijn zonder teveel metaforen of vergelijkingen. Kinderen met goede intellectuele vermogens kunnen de dood het hoofd bieden door het intellectueel een plaats te geven. Het verschil tussen intellectuele en emotionele verwerking kan daardoor groter worden. De emotie blijft achter en heeft meer tijd nodig.
Volwassenen verwachten dat een kind weet hoe het zich in deze omstandigheden moet gedragen. Het is pijnlijk dat een kind niet bezig is met het verdriet, maar met hoe het zich moet gedragen. “Moet ik nu ook gaan huilen?” Kinderen zijn het meest gebaat bij iemand die hun begrijpt en uitleg geeft dat verdriet niet iets is dat je als een toneelstukje moet laten zien maar moet voelen. Wanneer je het niet voelt hoef je ook niet te huilen en dat moeten anderen respecteren.
Belangrijke tip:
Laat kinderen met ASS geen toneelstukjes opvoeren als het om emoties gaat. Leer ze zich op hun eigen manier te uiten en respecteer dat.
Laat kinderen met ASS geen toneelstukjes opvoeren als het om emoties gaat. Leer ze zich op hun eigen manier te uiten en respecteer dat.
Samenvatting van de belangrijke tips:
- Ga uit van de mentale leeftijd van de leerling en stem daar je verwachtingen en gedrag op af.
- Neem alle vragen serieus en geef geduldig en met aandacht antwoord op vragen
- Realiseer je dat een kind met ASS zich niet spontaan op dezelfde manier emotioneel ontwikkelt als andere kinderen. Het heeft een afgestemde begeleiding nodig.
- Laat kinderen met ASS geen toneelstukjes opvoeren als het om emoties gaat. Leer ze zich op hun eigen manier te uiten en respecteer dat.
Afsluitende tip:
Praat ook eens over rouw als er geen actuele aanleiding is
Hond heeft positief effect bij autisme
Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat honden een positief effect kunnen hebben op kinderen met autisme. Dit geldt in versterkte mate als de honden speciaal getraind zijn. Autistische kinderen met een dergelijke hond hebben minder stress, kunnen zich beter concentreren en maken gemakkelijker contact met hun omgeving. De aanwezigheid van de hond vermindert vaak ook de angst of driftbuien van het kind. Deze gunstige uitwerking kan optreden, mits de hond zorgvuldig wordt uitgezocht, getraind en ingezet binnen het gezin.
Een huishond voor autistische kinderen moet enkele specifieke karaktereigenschappen bezitten. Het is belangrijk dat hij zich gemakkelijk laat aaien en knuffelen. Ook onhandige, stevige knuffels mogen geen probleem voor hem zijn. Dit type hond straalt rust uit en is stabiel. Alleen al daardoor zal de hond een kalmerend effect hebben op het betrokken kind met ASS. Door de hond enkele speciale vaardigheden te leren, wordt zijn waarde nog groter. Bij het PAWS-project van KNGF Geleidehonden leren ouders hoe ze dat kunnen aanpakken.
De hond van Jonas
Bij Kristina’s oudste zoon Jonas (8) is de diagnose hoog functionerend autisme (HFA) gesteld. Hij vraagt veel aandacht, het gezinsleven draait vooral om de zorg voor hem. Grote steun en toeverlaat van de hele familie is Colin. Hij is gezinstherapeut, oppertrooster, scheidsrechter, logopedist, relatietherapeut, clown, personal trainer… oftewel hun beste kameraad. Colin is een hond. ‘De dag dat hij bij ons kwam als puppy, zei Jonas tegen hem: ‘Dag Colin. Jij bent een hond’. Het was de eerste keer dat Jonas direct tegen iemand praatte en oogcontact maakte. De tranen sprongen in mijn ogen’, vertelt Kristina. Later deed Kristina mee met het PAWS training- en begeleidingstraject. Daar leerde ze hoe ze Colin nog meer kon inzetten om haar zoon te helpen. Door met zijn neus even Jonas aan te raken tijdens driftaanval bijvoorbeeld, forceert de hond een pauze, die moeder Kristina benut om Jonas te kalmeren. Dankzij Colin kan Jonas nu ook beter omgaan met vreemde mensen.

PAWS
PAWS (Parents Autism Workshops & Support) is een trainings- en begeleidingstraject voor ouders van autistische kinderen. PAWS helpt hen bij het trainen van hun eigen huishond of begeleidt hen bij het zoeken naar een passende huishond voor deze taak. Zo’n speciaal getrainde huishond kan een zeer positief effect hebben op het gedrag van een kind met ASS. PAWS is een initiatief van KNGF Geleidehonden.
Via workshops en informatiemateriaal helpt PAWS ouders bij het zoeken naar een geschikte huishond en het trainen daarvan. Als het gezin al een eigen huishond heeft, leert de PAWS-workshop de ouders hoe ze deze hond zo kunnen inzetten dat hij van nut is voor hun kind. De huishond kan bijvoorbeeld worden getraind om het kind af te leiden van bepaald gedrag, door een grappig trucje te laten zien. Of de ouder gebruikt de hond als hulpmiddel om het kind iets te leren. Bijvoorbeeld: de hond moet stilzitten voor hij mag eten, het kind moet hetzelfde doen.
Het PAWS-programma beoogt ook het samenbrengen van ouders van autistische kinderen om ervaringen uit te wisselen. Ter ondersteuning van de ouders is er een telefonische hulplijn en de PAWS-website. Met PAWS biedt KNGF Geleidehonden ouders uit de doelgroep kennis en concrete ondersteuning. KNGF Geleidehonden werkt hiervoor nauw samen met de Nederlandse Vereniging voor Autisme.
Via workshops en informatiemateriaal helpt PAWS ouders bij het zoeken naar een geschikte huishond en het trainen daarvan. Als het gezin al een eigen huishond heeft, leert de PAWS-workshop de ouders hoe ze deze hond zo kunnen inzetten dat hij van nut is voor hun kind. De huishond kan bijvoorbeeld worden getraind om het kind af te leiden van bepaald gedrag, door een grappig trucje te laten zien. Of de ouder gebruikt de hond als hulpmiddel om het kind iets te leren. Bijvoorbeeld: de hond moet stilzitten voor hij mag eten, het kind moet hetzelfde doen.
Het PAWS-programma beoogt ook het samenbrengen van ouders van autistische kinderen om ervaringen uit te wisselen. Ter ondersteuning van de ouders is er een telefonische hulplijn en de PAWS-website. Met PAWS biedt KNGF Geleidehonden ouders uit de doelgroep kennis en concrete ondersteuning. KNGF Geleidehonden werkt hiervoor nauw samen met de Nederlandse Vereniging voor Autisme.
Voor informatie:
http://www.paws.nl/
Maar ook andere organisaties bieden programma's en ccntacten aan met hulp- en begeleidingshonden bij mensen met ASS of een (verstandelijke) handicap.
Een aantal daarvan zijn:
http://www.helpendehonden.nl/
http://www.assistentiehond.nl
http://www.begeleidingshond.nl/
http://www.goldendoodle.nl/wie_zijn_wij2dhonden_en_autisme.html
http://www.zwieten.info/page21/page21.html
http://www.hva-zuidholland.nl/
Maar ook andere organisaties bieden programma's en ccntacten aan met hulp- en begeleidingshonden bij mensen met ASS of een (verstandelijke) handicap.
Een aantal daarvan zijn:
http://www.helpendehonden.nl/
http://www.assistentiehond.nl
http://www.begeleidingshond.nl/
http://www.goldendoodle.nl/wie_zijn_wij2dhonden_en_autisme.html
http://www.zwieten.info/page21/page21.html
http://www.hva-zuidholland.nl/
Abonneren op:
Posts (Atom)

